Auteur: E.H. Guido Cooman
Gij die aangeroepen wordt ...

We verwachten vol ongeduld de komst van Jezus, als Redder van de wereld, als een Vredevorst.
In deze rijke voorbereidingstijd op Kerstmis voorziet de liturgie heel wat liederen
om dat wachten en uitkijken te ondersteunen.
Hieronder vind je het lied n°133 uit zangbundel Zingt Jubilate.
De melodie van Willem Vogel (1920-2010) is niet zo bekend voor ons,
maar het lied heeft een prachtige tekst, geschreven door dominee Jaap Zijlstra (1933-2015).
We bekijken zijn woorden even als een bezinning in deze laatste dagen
naar het Geboortefeest toe van God.
Gij die aangeroepen wordt, die wij God noemen en Vader,
Ongeziene, kom ons nader, tooi de aarde met uw licht,
open ons een vergezicht.
Vanaf het eerste woord is het duidelijk tot wie we ons richten: God zelf. Het is niet zomaar een mooie beschouwing, maar eerder de aanzet van een geloofsbelijdenis. Degene die we niet kunnen zien spreken we toch aan als God en Vader. Er komt ook onmiddellijk een dringende vraag naar boven: 'kom ons nader', laat ons uw nabijheid ervaren, laat ons niet alleen. Er is de vraag om licht, voor heel de schepping en vooral geef ons perspectief: een vergezicht; dat we weer uitzicht mogen hebben, binnen al wat duister is en ons blokkeert en gevangen houdt. Alsof we het visioen van Jesaja werkelijkheid willen laten worden.
Gij die uitgeschreven staat in de held're taal der sterren,
hoogtij, lichtende van verre – Morgenster, treedt uit uw baan
en kom in ons midden staan.
Een verwijzing naar de kosmos waarin God ook oplicht en te vinden is: het heldere, het licht van verre. De Morgenster die het einde van de nacht aangeeft, wordt gevraagd om uit haar baan naar de aarde te komen. We kunnen het niet alleen, we hebben hulp nodig van buiten af. Een nieuwe morgen zal opgaan met de komst van Christus. Nu we naar de meest donkere periode van het jaar gaan, hebben we meer dan ooit nood aan licht, aan zijn licht.
Gij die uitgesproken zijt de Geliefde, Woord van leven
in der minne ons gegeven, Naam, die oplicht in de nacht,
kom en klink in volle pracht.
Gods naam staat niet alleen geschreven, maar Hij moet ook uitgesproken worden. We zijn een godsdienst van het Woord en dat krijgt vlees en bloed, zal mens worden in Jezus zelf. Het is een levend Woord, in liefde aan ons gegeven. Zijn naam verlicht het duister. De strofe eindigt met de bede om voluit aanwezig te zijn in onze wereld. Hij is niet alleen een levend Woord, maar we drukken ook ons vertrouwen uit dat het ons doet leven.
Gij die opgetekend staat in de heilige schrifturen
die der eeuwen loop verduren, uw gelofte is ons lied,
onze mond uw taalgebied.
Deze strofe bevestigt dat wat reeds eeuwen in het Eerste (Oude) Testament wordt geschreven en gezegd door en over God, waar en werkelijk is. De belofte van God dat Hij ons nooit los zal laten, blijven wij uitzingen en vormt ons lied. Die belofte houdt ons gaande en laat ons spreken van Hem. Onze mond is zijn taalspel. We kunnen dus niet zwijgen, anders maken we God zelf monddood. Wij geven vorm aan zijn Stem. Elke generatie opnieuw moeten we dus over Hem spreken.
Gij die ons zijt toegezegd: God-met-ons en Mens van vrede,
deel U aan de wereld mede, kom te voorschijn uit het licht,
liefde, toon uw Aangezicht.
De laatste strofe dringt erop aan dat Hij zou komen. Hij is ons immers toegezegd, laat Hij dus niet langer wachten. Ons geduld is al te lang op de proef gesteld. En wie komt er? Emmanuël, God-met-ons. Dat is zijn naam. Die ook mens zal worden, een bijzondere, een mens van vrede. Naar de vrede kijken wij, kijkt de hele wereld uit. Zoals kinderen die bij het verstoppertje spelen zeggen tot degene die al te lang verborgen was: 'kom te voorschijn'. Ook wij willen dat Hij zich eindelijk toont. Uit het licht zal Hij komen, één en al liefde. Het lied eindigt met 'toon uw Aangezicht'. De ultieme wens van een mens: de andere, de Andere kunnen zien van aangezicht tot aangezicht. Geen verre, ongeziene, onbereikbare God maar één waarmee we vrijelijk kunnen omgaan omdat Hij mens werd.
Mogen de laatste dagen naar Kerstmis toe intense dagen worden van toekeren, open staan en waakzaamheid om op dat grote feest te kunnen zingen: 'Nu zijt wellekome'!







