Auteur: Ds. Peter Smits
U komt mij, lieve God
Een eerste kennismaking.
Bij Pieter Endedijk vinden we het volgende over dit lied.
Het passieverhaal vertelt dat Jezus in Getsemane diep bedroefd ter
aarde valt (Matteüs 26,37-38). Deze tekst herkennen we in de
tweede strofe van dit lied van Jaap Zijlstra. Maar ook de woorden uit
Hebreeën 5,7 resoneren in de tekst: 'Christus heeft tijdens zijn leven
op aarde onder tranen en met luide stem gesmeekt…' Hij is een
lotgenoot en vriend van wie lijden.
Een veelzeggend lied dat in de passietijd een plaats kan krijgen in de
liturgie. Toch staat het lied in het Liedboek niet in de rubriek
'Veertigdagentijd' of 'De drie dagen Pasen'. De redactie heeft het
bewust een plaats gegeven bij 'Levensreis'. Het is immers een lied
dat ook, en misschien nog wel meer, past in dagen van gemis en
moeite (strofe 1), in tijden van eenzaamheid, ziekte en de te
verwachten dood.
Willem Vogel schreef een melodie die bij het karakter van de tekst
past. Opvallend zijn de grote sprongen. Een gedragen tempo doet
het lied goed.
Auteur: Kees Baggerman
Ontstaan en verspreiding.
Het lied is opgenomen in een bundel liederen van Jaap Zijlstra, Van harte brengen wij u lof (Kampen 1997, blz. 38-39). Ook verscheen het in Zingend Geloven 6 (1998, nr. 32) en de bundel Tussentijds (2005, nr. 156). In 2009 verscheen er een gedichten- en meditatieboekje van Jaap Zijlstra met de naar dit lied verwijzende titel Dagen van gemis (Heerenveen), over 'de pijn van het alleen zijn'.
Thematiek.
Het lied heet een 'Gebed om licht', maar dit eigenlijke gebed komt
pas in de vierde strofe: 'ik bid U, laat het licht (…) dagen in mijn
hart'. Het lied beweegt zich tussen het duister van strofe 2 en het
licht van strofe 4. Het is een gebed tot God in Christus, Hij is de 'man
van smarten' (strofe 3), een citaat uit Jesaja 53,3 (Statenvertaling,
NBG-1951). Nederig is God ons in zijn Zoon nabij, die van zichzelf
zei: 'Ik ben zachtmoedig en nederig van hart' (Matteüs 11,29).
De eerste strofe spreekt uit dat juist 'in dagen van gemis en moeite',
van alleen zijn of verdriet, ik door God gevonden word. Hij vindt mij
(en niet andersom), omdat Hij is afgedaald naar onze werkelijkheid:
incarnatie. Hij is 'zo dodelijk bedroefd als maar een mens kan zijn'.
In de tweede en derde strofe is er de verwijzing naar het lijden van
Jezus in de hof van Getsemane, vooral naar de beschrijving door
Matteös (26:36-46) en Marcus (14:32-42). Hier ervoer Hij 'de pijn
van het alleen zijn' toen zijn leerlingen in slaap waren gevallen. Hier
was Hij 'dodelijk bedroefd' en knielde neer ('wierp zich ter aarde' of
'liet zich vallen'): 'een man van smarten die ter aarde valt en schreit'.
Het 'schreien' van Jezus verwijst ook naar Hebreeën 5,7.
De dichter herkent in Jezus 'een lotgenoot, een vriend', in zijn
eenzaamheid. De woorden 'lotgenoot' en 'vriend' zijn wellicht
veelzeggend voor Jaap Zijlstra, die op latere leeftijd uitkwam voor
zijn homoseksualiteit en altijd alleen is gebleven. Vergelijk ook de
titel van zijn gedichten- en meditatieboekje uit 2009 en regel 3 in
strofe 1.
In de vierde strofe volgt dan het gebed dat het licht mag doorbreken,
'de zon die Pasen heet'. Een vraag die overblijft, is welk licht dan is
gaan stralen in Jezus' smart? Want in Getsemane zelf is weinig licht,
alleen Lucas spreekt van het verschijnen van een engel om Jezus
kracht te geven (23:43). Of gaat het om de rust die Jezus blijkbaar
toch vond in het gebed 'Laat het dan gebeuren zoals u het wilt'
(Matteös 26:42)? Waarschijnlijk moeten we Getsemane uit, om het
licht te zien dagen: dat is immers 'de zon van Pasen' (Marcus 16:2).
Het is een innig lied, waarin de nabijheid van de Heer, en zelfs de
eenheid met de Heer voelbaar is. Hij is ons duister ingedaald, laat nu
dan ook zijn licht in ons hart komen.
Vorm.
Het lied heeft een eenvoudige, heldere vorm. In de eerste strofe wordt gesteld dat God dichtbij ons komt en ons vindt. De tweede en derde strofe, eindigend met een komma, leiden in op de vierde strofe waarin het gebed concreet gemaakt wordt: 'ik bid U'. De vier strofen hebben hetzelfde rijmschema A-B-C-B, waarbij de eerste drie strofen ook alle drie dezelfde rijmklank hebben: ij/ei. Opvallend zijn de alliteraties als 'nederig' - 'nabij' (strofe 1) en 'daalt' - 'duister' - 'deelt' - 'dodelijk' (strofe 2). Aardig is dat het woord 'dagen' in twee betekenissen voorkomt: in strofe 1: 'dagen van gemis', en in strofe 4 als werkwoord: '(laat het) dagen in mijn hart'. De dagen van gemis worden zon-dagen in mijn hart.
Liturgische bruikbaarheid.
Het lied is geschikt in de tijd voor Pasen, ook in de Stille Week, bij schriftlezingen over het lijden van Jezus. Maar het kan ook goed op andere tijden van het jaar gezongen worden, als gebed om licht en ontferming, bij tijden van eenzaamheid, ziekte, levenseinde en gemis.
Auteur: Christiaan Winter
Melodie.
De melodie die Willem Vogel schreef bij Liedboek 852 werd gemaakt
tussen 1995 en 1997 en verscheen in de liedbundel Van harte
brengen wij U lof (Kampen 1997), een bundel met 30 kerkliederen
die Jaap Zijlstra in de loop der jaren had gedicht. Via Zingend Geloven
6 (1998; nr. 32) en Tussentijds (2005; nr. 156) kwam het lied in
het Liedboek terecht. Het heeft derhalve dezelfde weg afgelegd
als Liedboek 688.

Hoewel Willem Vogel in kerkmuzikaal opzicht onmiskenbaar georiënteerd was op Duitsland, veroorloofde hij zich af en toe een blik naar het westen, naar de Angelsaksische kerkmuziek. De melodie van Liedboek 850 getuigt daarvan, alsook de wijs van het hier besproken lied. Was het de innige toon van de tekst of de in Engelse hymnbooks vaak voorkomende short metre (vier korte regels van elk zes lettergrepen) waardoor Vogel zich liet inspireren? We weten het niet.
De kern van de melodie wordt gevormd door één karakteristiek motief: een in secundeschreden stijgende lijn van vier noten, waarvan de twee middelste melismatische kwartnoten zijn, gevolgd door een grote dalende sprong. Door dit motief op steeds verschillende punten van de regels in te laten zetten voorkomt de componist voorspelbaarheid, maar handhaaft hij toch een innerlijke logica. In de eerste regel verschijnt het motief in de ‘basisgestalte’, voorafgegaan door een gebroken A-groot akkoord. In de tweede regel wordt hetzelfde motief op indringender wijze gebruikt door het niet te laten afsluiten met een dalende kwart, maar met een sext.
De derde regelt opent weer met een gebroken A-groot akkoord – de stijgende sext als antwoord op de juist voorafgaande dalende – dat wordt gevolgd door het hoofmotief in gemuteerde vorm. De drie middelste noten van het motief worden deze keer dalend gebruikt, maar – net als in de openingsregel – wel weer gevolgd door een dalende kwart. De slotregel begint meteen met het hoofdmotief, gevolgd door een repeterende, zichzelf bevestigende slotnoot.
De topnoot van de melodie, de d” in de derde regel, verhoudt zich in de eerste drie strofen maar matig tot de tekst, want steeds valt juist een onbeklemtoonde lettergreep op die hoge noot. Dit wordt echter in de laatste strofe meer dan goed gemaakt doordat precies het woord en kernbegrip ‘Pasen’ samenvalt met die hoogste noot. Opvallend en in zekere zin on-Vogeliaans zijn de grote sprongen in de melodie. Kwarten en een kwint, ja zelfs sexten worden zowel stijgend als dalend gebruikt. Met name hierdoor heeft de wijs het karakter van een Engelse hymn. Vogel laat een maataanduiding achterwege (wat dan weer niet in de stijl van de Engelse hymn is) en van lieverlee hebben de maatstrepen uit Zingend Geloven en Tussentijds plaatsgemaakt voor korte oriëntatiestreepjes vóór de slotnoot van elke regel. Het effect is dat de melodie niet metrisch, maar flexibel glooiend oogt. Het lijkt me aanbevelenswaardig deze suggestie die van het notenbeeld uitgaat ook te vertalen in een flexibel glooiende uitvoering. Een rustige beweging van ongeveer 80 halve noten per minuut past daarbij. Dit tempo wordt niet het minst ingegeven door de verzadigde klank van de bij dit lied behorende harmonisatie. Zoals bij de meeste hymnmelodieën in het Liedboek zijn ook bij dit lied de begeleiding en de koorzetting identiek. De rust ná de slotnoot staat er in die uitgaven onterecht en moet – om een goede aansluiting naar de volgende strofe te verkrijgen – achterwege gelaten worden.







