Misdienaren en Acolieten

Onze acolieten: August, Leopold en Elène
Een viering met misdienaren of acolieten is een meerwaarde. Alleen al het feit dat jongeren, die de toekomst in zich dragen, zich willen inzetten in ons geloof.
Een misdienaar of acoliet assisteer de priester of voorganger gedurende de viering.
Dat kan een weekendviering zijn maar even goed een huwelijksviering of een uitvaartplechtigheid.
Bij het voorlezen van het evangelie kom je er met een brandende kaars bij staan, bij het klaarmaken van het altaar draag je de kelk, hostieschalen en brood en wijn aan, je belt op belangrijke momenten in de viering, je haalt de hosties uit het tabernakel en je helpt om alles weer op te ruimen. Acolieten mogen ook helpen bij het uitreiken van de Communie en het klaarmaken van het wierookvat.
Je draagt daarbij speciale kleding. Zowel jongens als meisjes kunnen misdienaar of acoliet worden.
Maar wat is nu het verschil tussen misdienaar en acoliet?
Een misdienaar is een leek, religieus of seminarist die tijdens een Heilige Mis van de Rooms-Katholieke Kerk de priester behulpzaam is en ondersteunende taken verricht.
Er wordt soms een onderscheid gemaakt tussen misdienaar (tot 16 jaar) en acoliet (16 jaar en ouder).
Tarcisius is de patroonheilige van de misdienaars.
Je kunt acoliet worden in onze kerk de Verrijzeniskerk maar dat kan ook in Sint Jan Batist of de Sint Elisabethskerk.
Spreek jou dat aan, neem dan even contact op met onze priester (zie bij Contacten).
En als zingen tweemaal bidden is, hoeveel is dienen dan niet?
Bron: Dionysiusparochie
Het verhaal van Tarcisius.
Lang geleden, rond het jaar 250, leefde er een jongen, Tarcisius. Tarcisius was een christen en elke nacht glipte hij door de straten van Rome naar de samenkomst van de christenen. Elke morgen, heel vroeg, kwamen de christenen samen in de onderaardse begraafplaatsen. Men noemde die plaatsen de catacomben. Het waren lange, donkere gangen en in de zijkanten ervan begroef men de doden.
De christenen konden alleen ‘s nachts samenkomen, omdat ze vervolgd werden. Want als de pretoriaanse wacht, de politie van Rome, erachter kwam, dat men in Jezus Christus geloofde, dan werd men opgesloten en gemarteld. Velen werden zelfs gedood, als ze niet wilden offeren voor de afgoden.
Zoals elke nacht was Tarcisius ook nu naar de catacomben gekomen om de heilige Mis van de Paus te dienen. Er waren die morgen maar weinig mensen, want sinds een paar dagen had men weer vele christenen gevangen genomen; en vele anderen moesten vluchten.
Na de heilige Mis bleef Tarcisius nog wat bidden en hielp hij de Paus alles opruimen. Toen ze daarmee klaar waren, zuchtte de paus: “Gisteren is één van de bewakers van de gevangenis in het geheim bij mij geweest. Hij heeft mij verteld, dat onze gevangen broeders en zusters graag de heilige Communie zouden ontvangen voordat ze gedood worden. Bijna alle priesters zijn al gevangen. Ikzelf kan niet gaan, want ze kennen mij. Ach wist ik toch maar een oplossing!”
“Heilige Vader, waarom laat U mij niet gaan? Mij zullen ze zeker niet verdenken.”
“Neen, mijn beste, je bent nog te jong, het is veel te gevaarlijk voor je!”
“Maar heilige Vader, ik kom toch ook elke morgen hier naartoe. En ik ben de enige misdienaar, die nog nooit is weggebleven. Het is trouwens nog vroeg en op straat zal ik wel niemand ontmoeten.”
De Paus stemde toe: “Goed, we zullen het proberen, maar wees voorzichtig!”
De Paus knielde neer en nam eerbiedig de heilige Hosties van het altaar; hij borg ze in een gouden doosje en hing dat aan een touwtje om de hals van Tarcisius. De jongen stopte het onder zijn mantel: de toga.
De knaap vertrok terwijl hij met een hand onder zijn toga het doosje vasthield om het vooral niet te verliezen. Zo stapte hij door de straten van Rome, terwijl hij bad tot de Heer, die hij bij zich droeg.
In een steegje riep een schelle jongensstem: “Hé, Tarcisius, wat doe jij hier zo vroeg?”
Een paar buurtjongens kwamen naar hem toe gehold. Zij stootten hem aan en zeiden:
“He, wat doe je raar en wat heb je daar onder je toga?”
Een van de jongens sloeg de toga van Tarcisius weg:
“Kijk! Hij heeft iets van die vervloekte christenen bij zich!”
“Geef hier! … Geef hier of je krijgt ervan langs!”
Tarcisius hield krampachtig het doosje vast. Hij kon het Lichaam van Christus toch niet aan deze heidenen prijsgeven.
De jongens sloegen en trapten hem, maar hij liet niet los.
Toen werden ze razend en ze mepten hem zo hard dat hij bloedend en dodelijk getroffen neerviel.
Plots een kreet … “Wat moet dat daar?”
Een soldaat stormde naar hen toe. Verschrikt stoven de vechters weg; Tarcisius lag stervend op de keien.
De soldaat boog zich over hem heen; er liep een glimlach van herkenning over het gelaat van Tarcisius, want deze soldaat was ook een christen. Met zijn laatste krachten reikte hij hem het Sacrament over.
Zonder een woord te zeggen hing de soldaat het om zijn hals.
Hij nam de jongen op en droeg hem naar een huis in de buurt waar hij wist dat christenen woonden. Daarna ging hij naar de gevangenis en deelde daar in het geheim de heilige Communie uit.
Enkele uren later stierf Tarcisius aan zijn verwondingen. Hij werd begraven in de catacomben van Callixtus, bij de graven van de Pausen.
De heilige Tarcisius is de patroon van de misdienaars, omdat hij zijn leven heeft gegeven voor de heilige Eucharistie.







