Statie XIII: Jezus wordt van het kruis afgenomen.

Wij aanbidden U, Christus, en wij loven U.
Omdat Gij door uw heilig kruis de wereld hebt verlost.
"Toen Jezus was gestorven, vroeg Jozef van Arimathea,
die een leerling was van Jezus,
maar in het geheim uit vrees voor de Joden,
aan Pilatus het lichaam van Jezus van het kruis te mogen nemen.
Toen Pilatus dit had toegestaan, ging hij dus heen en nam het lichaam weg" (Joh. 19,38).
Maria heeft toen Jezus andermaal op haar schoot genomen, een gebroken en gemarteld lichaam.
Heeft zij toen gedacht aan Nazareth en Bethlehem?
Of aan het woord in de tempel: "Kind, waarom hebt Gij ons dit aangedaan?"
En aan Jezus' antwoord: "Wist ge dan niet dat ik in het huis van mijn Vader moest zijn?"
Begreep zij nu wat Hij daarmee bedoelde? (Lc. 2,48-49).
Heer Jezus, wij worden er stil van als wij bedenken wat er in uw Moeder is opgegaan in het uur van uw dood, bij de rust van uw graf. Zij leed in geloof, zij zweeg en zij bad. Ook wij verstaan ons niet altijd aan U, noch aan de weg die Gij gaat, in ons leven, in uw Kerk. Doe ons geloven dat Gij uw Kerk leidt ook in de donkere nacht. Behoud in ons hart de stille zekerheid dat wij eens geborgen zullen zijn, met U en uw Moeder, in het huis van de Vader, voor altijd en eeuwig. Amen.
Ontferm U over ons. Heer ontferm U over ons. God, wees ons, zondaars, genadig.
|
|









